Kunst als kijkglas van het bredere cultuurbegrip


In talrijke politieke debatten en gesprekken, althans in zoverre ze enig niveau betrachten, en in zoverre ze worden gevoerd met gesprekspartners die hebben nagedacht over de natuur van nationalisme en identiteit, wordt mij na enige tijd gevraagd naar de precieze inhoud van wat ik als onze (culturele) identiteit beschouw. Meestal vind ik dat een overbodige vraag. Ze suggereert dat ik een pakket van criteria, elementen, elementaire deeltjes op tafel zou kunnen leggen of zou kunnen samenbrengen en vervolgens zeggen: voilà, ziehier de West-Europese beschaving.
Ik heb altijd geweigerd dit te doen. Het cultuurbegrip dat ik hanteer is vaag en breed opgevat. Het bevat veel universele, universalistische elementen, elementen ook die niet alleen onze West-Europese maar ook andere culturen hebben beïnvloed. Misschien is de breed-heid, maar zeker ook de soepelheid, het evolutieve van ons cultuurbegrip op zichzelf ook wel een belangrijk element van de West-Europese cultuur.
Maar hoe breed en hoe soepel ook: ziehier een fervente, een door rauwe passie gedreven amateur (amare) van de West-Europese beschaving. En dus van haar kunst. Ipso facto.

Ipso Facto. Want als u mij dan toch zou vragen wat die West-Europese beschaving is, dan zou ik u langs het pad van haar kunst leiden. Geen originele gedachte, wellicht. Elke toerist doet het. Kunst als kijkglas van het bredere cultuurbegrip.

Was het Dostojewski die ooit beweerde "Kunst zal de wereld redden"? Of was het "Schoonheid zal de wereld redden"? Ik weet het niet meer. In 1995 verscheen van André Klukhuhn het "Sterf , oude wereld". Hij analyseerde onvolprezen de verhouding tussen schoonheid en wetenschap, tussen literatuur en wetenschap. Wetenschap moet toenadering zoeken tot de intuïtie, tot de kunst. Ik voeg er a fortiori aan toe: politiek moet die toenadering zoeken. Alleen zo kunnen we de wereld redden. Kunst zal de wereld redden. Op voorwaarde dat zijn politici die kunst zoeken. Wie mij daarin tot voorbeeld was: de poëziekenner Karel Dillen.

In die krachtige bodem van de West-Europese beschaving heeft de kunst wortel geschoten die ik liefheb. Een gunstige speling van het lot (mijn goede ouders die graag - cultureel - globetrotterden en hun beide zoons meenamen) gaf mij de kans om reeds voor mijn zeventiende wekenlang omzwervingen te maken in Hellas, van Saloniki tot diep in de Peloponnesos. De gehele laars van Italië had ik bereisd met een grondigheid die mij nu op latere leeftijd nog verbaast. Sicilië tot in de krater van Vulcano, waar ik met de tent overnachtte. Voor ik volwassen was had ik Lautrec gezocht in Albi, Spanje doorploegd in zijn Prado, in zijn Escorial, maar ook in de moskee van Cordoba en het Alhambra van Granada. In één dag zat ik in het pauselijke Avignon, het Middeleeuwse Carcassonne en het Romeinse theater van Orange. Ik sleepte mij over de Grand Randonné 20 heel het binnenland van Corsica door tot in Conca om er de zon te zoeken die Napoleon grimeerde. Zo werd een kleine jongen groot, en zo propte de cultuuroverdracht die met dit alles gepaard gaat die jongen vol met een Europees nationalisme dat hem nooit meer zou verlaten.

Niet zonder veel binnenpret hoor ik heel dikwijls de "culturelen" van de politieke correctheid ijverig als geverifieerde waarheid verspreiden dat Vlaams Belangers per ipsam definitionem hoogstens een onafgewerkt product van beschaving zijn, restanten van op zichzelf teruggetrokken paalbewoners.

Mijn enige geverifieerde boodschap in dat verband, is mijn liefde voor kunst. Waaraan ik uiting wil geven op deze bladzijde van mijn webstek.